Het bekendste ontstaansverhaal van familieopstellingen is dat Bert Hellinger de methode meebracht van zijn zestien jaar onder de Zoeloes in Zuid‑Afrika. Het is een mooi verhaal, en het past bij de enigszins mystieke reputatie van de methode. Maar het klopt ook niet. Hellinger beschreef zelf dat hij opstellingswerk leerde kennen via andere therapeuten (Hellinger, 2001, p. 438). Een van hen was een hoogleraar kinder‑ en jeugdpsychiatrie uit Hamburg, Thea Schönfelder.
Ik onderwijs deze geschiedenis omdat de versie die de ronde doet niet alleen geromantiseerd is. Ze plaatst één man in het middelpunt van iets met een veel bredere afkomst. Zet die afkomst terug en de methode ziet er anders uit: geen openbaring die Hellinger meebracht, maar een psychotherapeutisch vakmanschap dat ontstond uit verschillende ontwikkelingen binnen de twintigste‑eeuwse therapie. Schönfelder staat veel dichter bij het middelpunt van die geschiedenis dan het gangbare verhaal toelaat. Zo zijn we hier gekomen.
Van het individu naar het systeem
Tot het midden van de twintigste eeuw keek therapie vooral naar één persoon tegelijk. De verschuiving die opstellingen mogelijk maakte, was dat therapeuten hele gezinnen samen begonnen te zien, en daarmee een nieuw aandachtspunt: niet het individu alleen, maar het individu binnen zijn systeem.
Drie denkers legden een groot deel van de theoretische grond waarop deze methode nog altijd staat. Murray Bowen, een Amerikaanse psychiater, was een van de eersten die een gezin behandelde als één met elkaar verbonden emotionele eenheid in plaats van een verzameling individuen, en hij beschreef hoe emotionele patronen zich over generaties heen voortplanten, wat hij het multigenerationele overdrachtsproces noemde (Bowen & Kerr, 1988). Salvador Minuchin bouwde de structurele familietherapie op rond grenzen, subsystemen en hiërarchie, en werkte rechtstreeks met gezinnen terwijl hun dynamiek zich in de ruimte ontvouwde (Minuchin et al., 2014). En Iván Böszörményi‑Nagy, de grondlegger van de contextuele therapie, keek over generaties heen naar wat hij onzichtbare loyaliteiten en de familiebalans noemde, de onuitgesproken rekening van geven, ontvangen en verplichting die een persoon kan binden aan zijn gezin van herkomst (Böszörményi‑Nagy, 1973). Wanneer opstellingswerk vraagt wat de ene generatie mogelijk nog van een andere meedraagt, beweegt het zich op terrein dat hij mee in kaart bracht.
De technieken kwamen uit twee handen
Theorie zet niemand in een ruimte. De technieken kwamen ergens anders vandaan.
Jacob Moreno, de grondlegger van het psychodrama, was een van de eersten die mensen hun relaties liet uitspelen in een groep in plaats van ze vanaf een bank te beschrijven, waarbij groepsleden rollen op zich namen in de relationele wereld van iemand anders (Franke, 2003/2017, p. 48). Hij zette daarmee een van de cruciale precedenten voor wat opstellingen later zouden doen: andere mensen inzetten, in de ruimte, om een relationeel systeem zichtbaar te maken.
Virginia Satir bracht het ruimtelijke werk met het gezin veel verder. Satir, een van de grondleggers van de gezinstherapie, werkte met familiesculptuur: ze vroeg een cliënt om gezinsleden fysiek in de ruimte te plaatsen, dichtbij of veraf, naar elkaar toe of van elkaar af gekeerd, zodat de vorm van de relaties zichtbaar werd in plaats van alleen besproken. Het ontstond bij toeval in 1962. Het gezin dat Satir wilde interviewen, kwam opdagen met ontbrekende leden, dus gebruikte ze stoelen voor de afwezigen. Later liet ze in plaats daarvan een assistent invallen. Wat ze ontdekte, was dat wanneer ze mensen in een lichamelijke houding zette, ze de gevoelens die bij die houding hoorden vaak ook werkelijk ervoeren (Franke, 2003/2017, p. 61).
Lees dat nog eens en je hebt al veel van het technische vocabulaire van een familieopstelling gelezen: het ruimtelijke beeld, mensen die posities innemen, verslagen vanuit die posities, ingrepen in de opstelling. Wat nog niet bestond, was de specifieke methode die uit deze ingrediënten zou groeien.
Thea Schönfelder, die iets nieuws samenbracht
Thea Schönfelder (1925 tot 2010) is de moeder van familieopstellingen, en de feiten hierover zijn duidelijker dan haar onbekendheid doet vermoeden.
Ze was een pionier van de Duitse psychiatrie. Ze begon in 1958 aan de universiteitskliniek van Hamburg, en in 1970 werd ze benoemd tot hoogleraar kinder‑ en jeugdpsychiatrie, als eerste vrouw in Duitsland met een leerstoel in dat vakgebied. Ze bekleedde de functie tot 1987. Haar klinische werk omvatte kinderen en jongeren die misbruik hadden meegemaakt, naast een bredere inzet voor de kinder‑ en jeugdpsychiatrie.
Begin jaren zeventig, terwijl ze die leerstoel bekleedde, volgde ze een opleiding in Concentratieve Bewegingstherapie, KBT (Schönfelder & Struve, 2012). KBT combineerde een psychodynamisch kader met bewuste beweging, lichaamswaarneming en ruimtelijke verkenning, vaak in groepen. Deelnemers konden posities innemen in een ruimte en nauwkeurig aandacht besteden aan wat ze daar in hun beleving tegenkwamen, terwijl de therapeut begeleidde en polste. De fenomenologische discipline ervan wordt mooi gevangen in één detail uit Schönfelders relaas: in plaats van meteen naar een interpretatie te gaan zoals “ik ben vreselijk depressief”, kon de deelnemer eerst blijven bij wat er rechtstreeks gebeurde, “ik huil”. Ervaring vóór interpretatie.
Satirs familiesculptuur circuleerde ook in de wereld van de gezinstherapie. Schönfelder bracht die ruimtelijke manier om een gezin weer te geven samen met de belichaamde aandacht die ze via KBT had geleerd. In de supervisiegroepen die ze later beschreef, werd een casus ingebracht, vertegenwoordigden mensen gezinsleden, werden posities zonder uitleg bepaald, werd representanten gevraagd wat ze waarnamen op de plek waar ze stonden, en werden ingrepen geïntroduceerd om te zien wat er veranderde. Hoe we het achteraf ook noemen, dit is al herkenbaar als familieopstellingswerk (Schönfelder & Struve, 2012).
Waar ze het gebruikte, doet ertoe. De methode ontwikkelde zich in supervisie. Therapeuten brachten moeilijke casussen in, groepsleden vertegenwoordigden mensen uit het gezin, en Schönfelder ging na wat er in de verschillende posities gebeurde terwijl ze interventies één voor één uitprobeerde. Later bracht ze de methode ook in haar eigen klinische praktijk. Ze werkte ook individueel, waarbij ze figuren neerzette op wat ze het familiebord noemde. Individueel opstellingswerk, zonder een ruimte vol representanten, was dus al heel vroeg in de ontwikkeling van de methode aanwezig. Het is niet simpelweg een latere aanpassing van de groepsvorm.
Waarom kent bijna niemand haar naam dan? Drie redenen, elk op zich gewoon, samen doorslaggevend. Ze ontwikkelde opstellingen pas in het laatste decennium van haar loopbaan, die daarvoor en daarna gewijd was aan de kinder‑ en jeugdpsychiatrie. Als vrouw in een unieke machtspositie schatte ze in, waarschijnlijk terecht, dat het publiceren van bevindingen die zo ver buiten de geaccepteerde therapie van die tijd lagen, die positie in gevaar kon brengen. Dus schreef ze het niet op; ze onderwees het, in workshops, aan veel therapeuten, en liet de methode van hand tot hand reizen. Pas bij haar pensionering droeg ze bij aan een boek over KBT dat ons een venster geeft op hoe ze werkte (Schönfelder & Struve, 2012).
Een van de therapeuten die haar werk leerde kennen, was Bert Hellinger.
Hellinger, precies
Wat Hellinger wel en niet deed, verdient allebei een precieze formulering, want hij is noch de grondlegger die de legende beweert, noch een voetnoot.
Hij kwam laat bij de therapie terecht: zestien jaar als katholiek missionaris en schooldirecteur in Zuid‑Afrika, gevolgd door uitgebreide therapeutische opleidingen in Europa en de Verenigde Staten. Rond het einde van de jaren zeventig maakte hij op meer dan één plek kennis met opstellingswerk. Hij nam deel aan Schönfelders workshops, ook als representant. Hij volgde ook een opleiding bij Ruth McClendon en Les Kadis, een Amerikaanse gezinstherapieschool die werkte in de traditie van Satir (Hellinger, 1998). Begin jaren tachtig leidde Hellinger al eigen opstellingen (Schönfelder & Struve, 2012), en door de jaren negentig en tweeduizend heen was het grotendeels via hem dat de methode een breed publiek bereikte, eerst in het Duitstalige gebied en daarna internationaal.
Zijn zestien jaar onder de Zoeloes vormden zijn denken wel degelijk, naar eigen zeggen (Hellinger, 2001, p. 442). Ze gaven hem niet de opstellingsmethode. Dat onderscheid doet ertoe, want het verandert het verhaal van culturele openbaring naar ontwikkeling binnen een al actief therapeutisch veld.
Hellinger bouwde een filosofische theorie rond wat hij observeerde, waarbij hij vooral putte uit Böszörményi‑Nagy (Hellinger, 2001, p. 444). In zijn geschriften ordende hij relaties keer op keer aan de hand van begrippen als schuld en onschuld, erbij horen, orde en balans, en gaf hij deze principes een veel vastere status dan latere constructivistische benaderingen zouden doen. Sommige van zijn observaties over terugkerende dynamieken in gezinnen blijven invloedrijk. Een groot deel van de theoretische structuur die hij eromheen bouwde, is gedateerd geraakt.
De controverses rond Hellinger horen ook bij deze geschiedenis. Politieke uitspraken die critici als antisemitisch interpreteerden, samen met conservatieve standpunten over gezin en seksuele geaardheid, brachten veel therapeuten, vooral in Duitsland, ertoe afstand van hem te nemen (Sparrer, 2016, p. 44). Het gewicht verschoof van de methode naar de opsteller. Begeleiden was, in Hellingers eigen woorden, een roeping, en die framing verspreidde zich wijd. Een deel van de workshopcertificatencultuur waarmee het veld nog altijd leeft, komt daaruit voort. In de latere fase van zijn werk bewogen opstellingen zich nog verder weg van de psychotherapie en naar een expliciet spirituele praktijk. Die geschiedenis helpt verklaren waarom de methode nog altijd zo vaak als esoterisch wordt ervaren, ook al liggen veel van haar wortels stevig binnen de twintigste‑eeuwse psychotherapie.
Wie het gronding gaf
Terwijl Hellinger opstellingen bij een veel breder publiek bracht, systematiseerden, bevroegen en verruimden andere beoefenaars de methode.
Insa Sparrer en Matthias Varga von Kibéd, een psychologe en een filosoof, ontwikkelden vanaf de jaren tachtig de systemische structuuropstellingen, SySt. Hun benadering was expliciet constructivistisch waar die van Hellinger steeds doctrinairder werd, en plaatste opstellingswerk binnen een uitgewerkt therapeutisch en filosofisch kader (Sparrer, 2016). Ze brachten de methode ook voorbij het gezin, naar professionele systemen, besluitvormingsstructuren en andere abstracte vraagstukken.
Ursula Franke gaf de methode nog een andere vorm van gronding. Haar doctoraatswerk traceerde de historische en therapeutische wortels ervan via figuren als Satir, Böszörményi‑Nagy en Moreno (Franke, 2003/2017), en droeg zo bij aan een wetenschappelijke weergave van een methode waarvan de geschiedenis vaak mondeling was doorgegeven. In haar praktijk en geschriften ontwikkelde ze ook individueel opstellingswerk tot een strenge vorm op zichzelf (Franke, 2017), terwijl Hellinger vooral bekendstond om zijn werk met grote groepen.
Ursula Franke en Thomas Bryson, aan ISPAB in München, werden later de leraren van Cecilia en mezelf. Cecilia vertaalde Frankes boeken, waaronder In My Mind’s Eye, haar fundamentele tekst over opstellingswerk in de individuele setting. Die lijn loopt rechtstreeks door in de methode die wij nu onderwijzen: systemisch, therapeutisch, en fenomenologisch in de zin van Schönfelder, waarbij ervaring wordt waargenomen voordat ze wordt omgezet in interpretatie.
Waarom de ware geschiedenis ertoe doet
Niet alleen omwille van rechtvaardigheid, al is het herstel van Schönfelders plaats in de geschiedenis allang nodig. Het doet ertoe omdat de twee ontstaansverhalen tot heel verschillende ideeën leiden over wat deze methode is.
Vertel de geschiedenis als de openbaring van een charismatische ex‑missionaris, en het wordt gemakkelijk voor autoriteit, intuïtie en roeping om de cultuur rond de methode te overheersen. Volg haar in plaats daarvan via psychodrama, gezinstherapie, contextuele therapie, familiesculptuur, bewegingstherapie en klinische supervisie, en er verschijnt een ander beeld. Dit is een vakmanschap dat is ontstaan binnen de psychotherapie, wat betekent dat het onderwezen, bevraagd, verfijnd en verbeterd kan worden.
Dat maakt Hellinger niet onbelangrijk. Het plaatst hem in de geschiedenis in plaats van hem tot de geschiedenis te maken. En het zet Thea Schönfelder terug op de plek waar de overgeleverde feiten suggereren dat ze thuishoort: niet als voetnoot bij Hellinger, maar als beoefenaar die al herkenbaar opstellingswerk deed voordat de methode synoniem werd met zijn naam.
Bronnen
- Böszörményi‑Nagy, I. (1973). Invisible Loyalties.
- Bowen, M., with Kerr, M. E. (1988). Family Evaluation. W. W. Norton.
- Franke, U. (2003/2017). The River Never Looks Back. Carl‑Auer.
- Franke, U. (2017). In My Mind’s Eye: Family Constellations in Individual Therapy and Counselling (C. Beaumont, Trans.). Carl‑Auer.
- Hellinger, B., with Weber, G., & Beaumont, H. (1998). Love’s Hidden Symmetry: What Makes Love Work in Relationships. Zeig, Tucker & Co.
- Hellinger, B. (2001). Love’s Own Truths: Bonding and Balancing in Close Relationships. Zeig, Tucker & Theisen.
- Minuchin, S., et al. (2014). The Craft of Family Therapy. Routledge.
- Struve, M. (2012). Interview with Thea Schönfelder on the beginnings of family constellation work, originally conducted in 2002. Praxis der Systemaufstellung.
- Sparrer, I. (2016).