Mensen die me vragen welke technieken familieopstellingen gebruiken, verwachten meestal iets esoterisch. Dan som ik ze op, en blijkt de lijst teleurstellend concreet: een gestructureerd interview, een ruimtelijk beeld, een specifieke manier om met de waarneming van mensen te werken, beweging en korte uitgesproken zinnen. Vijf technieken. Alles wat je verder in een opstelling ziet, is een van deze vijf aan het werk.
Dit werk onderwijzen betekent dat je het ver genoeg uit elkaar haalt zodat iemand anders kan begrijpen wat je doet, waarom je het doet en het uiteindelijk zelf kan doen. Dit is de gereedschapskist, stuk voor stuk, met waar elk instrument werkelijk voor dient.
1 · Het interview
De minst fotogenieke techniek, en de belangrijkste. Voordat er iets wordt geplaatst of gepositioneerd, bespreken de opsteller en de cliënt drie dingen in een gewoon gesprek: wat het probleem werkelijk is, wat de cliënt in plaats daarvan wil en de kale feiten van de familie. Niet de verhalen of de oordelen, maar de feiten: wie erbij hoort, wie jong stierf, wie vertrok en welke grote gebeurtenissen de familie hebben geraakt.
Ik vertel mijn cursisten dat de kwaliteit van wat volgt sterk afhangt van hoe goed dit interview wordt gevoerd. Een vaag probleem levert een vaag beeld op. Wanneer je een opstelling ziet die lijkt af te dwalen, begon dat meestal al in het interview, tien minuten voordat er zichtbaar iets misging. Hier wordt ook het gezag van de cliënt gevestigd: hun woorden, hun taal, hun doel. De opsteller brengt vakmanschap in dit gesprek; de cliënt brengt de expertise over het eigen leven.
2 · Het ruimtelijke beeld
De techniek die de methode haar naam geeft. Het innerlijke beeld dat de cliënt van het systeem heeft, wordt in de ruimte uitgezet: mensen die in een kamer staan, figuren op een tafel, viltjes op de vloer of posities die alleen in de verbeelding worden ingenomen. Het medium is niet wat telt. Wat telt, is dat relaties geometrie worden: afstand, richting, wie naar wie kijkt en wie dat niet kan.
Dit is de stap die verandert welk soort informatie beschikbaar is. Vraag iemand om de relatie met hun vader te beschrijven en je krijgt het vertrouwde verhaal, het verhaal dat ze al eerder hebben verteld. Vraag die persoon om hem in een kamer te plaatsen, en de plaatsing kan iets zichtbaar maken wat in het verhaal ontbrak: achter hen, op afstand, met de rug toegekeerd. Het ruimtelijke beeld maakt andere informatie zichtbaar. Zodra dat beeld in de kamer staat, kunnen de cliënt en de opsteller er samen naar kijken, naast elkaar, in plaats van naar elkaar.
3 · Representatieve waarneming
Dit is de techniek waarover mensen de meeste vragen hebben, dus ik beschrijf hem precies. In een groep nemen mensen die niets van de familie van de cliënt weten de plaats in van familieleden. Ze hoeven niets te doen behalve opmerken wat er ontstaat op de plek waar ze staan en dat in de eerste persoon te melden: het voelt hier zwaar, ik kan niet naar haar kijken, vanaf deze plek ben ik rustiger. Opstellers zien herhaaldelijk overeenkomsten tussen wat representanten melden en het systeem dat wordt onderzocht, soms op verrassend specifieke manieren. Die terugkerende waarneming vormt de basis van de groepsvorm van opstellingswerk.
We noemen dit fenomeen representatieve waarneming. De discipline zit in de manier waarop je ermee omgaat. Wat een representant meldt, is een gevoel, geen feit over iemands familie. Het is informatie om mee te werken, die wordt getoetst bij de enige persoon die dat kan: de cliënt. De eigen indrukken van de opsteller worden op dezelfde manier behandeld, als hypotheses die ter toetsing worden aangeboden, nooit als duidingen die vanuit gezag worden verkondigd. Een opstelling laat zien hoe een systeem van binnenuit zijn verschillende posities aanvoelt. Ze vertelt niemand de waarheid over hun moeder.
In individueel werk verdwijnt deze techniek niet, maar verandert het instrument. De eigen lichamelijke ervaring van de cliënt wordt een bron van informatie, positie voor positie, terwijl de opsteller ook ademhaling, houding en toon volgt.
4 · Beweging
Een opstelling lijkt meer op een film dan op een foto. Zodra het eerste beeld staat, komt het in beweging: een representant volgt een impuls, of de opsteller verplaatst iemand en kijkt wat er in het hele veld verandert. Een vader draait zich om om zijn zoon aan te kijken. Een grootmoeder krijgt een plek nadat ze decennialang buiten beeld stond. De afstand wordt groter totdat een representant weer kan ademen.
Bewegingen zijn experimenten, en zo worden ze ook aangeboden: zou je bereid zijn hier eens te gaan staan? Laten we kijken wat er gebeurt als... Een beweging die iets erger maakt, is geen mislukking maar informatie, en vaak scherpere informatie dan een verbetering. Alles beweegt in de richting van een beeld waarin de mensen die erin staan meer gemak kunnen ervaren dan in het beeld waarmee de cliënt binnenkwam.
5 · Uitspraken
Het meest precieze instrument in de gereedschapskist, en het instrument dat we in de opleiding het zorgvuldigst systematiseren. Op bepaalde momenten geeft de opsteller een representant, of de cliënt, een korte zin om hardop uit te spreken en uit te proberen. Geen gesprek, maar losse, eenvoudige en niet oordelende zinnen, uitgesproken van de ene positie naar de andere om te toetsen en te laten bezinken wat het veld laat zien.
In het Al-Ma Model leren we dat uitspraken drie soorten werk doen, in een volgorde die zich door een groot deel van een opstelling herhaalt. Eerst erkennen ze wat er is: ze benoemen wat ongezien bleef of niet gezegd kon worden, met eenvoudige zinnen als "je hoort erbij" of "je hebt je eerste zoon verloren". Daarna herstructureren ze: zinnen die lasten terugleggen waar ze horen en mensen terugbrengen naar hun eigen plek. Ten slotte differentiëren ze door te markeren wat bij wie hoort. Hier vinden we enkele van de bekendste zinnen van de methode: "Ik dacht dat jouw lot het mijne was, maar ik zie dat het bij jou hoort." "Ik ben de kleine, en jij bent de grote."
Een goede uitspraak landt in het lichaam. Je kunt zien hoe de schouders van een representant zakken wanneer een zin klopt, terwijl er bij een zin die nét niet klopt helemaal niets gebeurt. Dat zichtbare verschil maakt deel uit van de feedbacklus waarop de opsteller stuurt. Leren om uitspraken te formuleren die landen, in de eigen woorden van de cliënt in plaats van vanuit een script, is een van de moeilijkere vaardigheden die we onderwijzen.
Wat de vijf samenhoudt
Geen van deze technieken wordt puur op gevoel gebruikt. In onze opleiding leer ik hoe je het veld leest en beweegt met het Field Compass, onderdeel van het Al-Ma Model: welke techniek in welke fase dient, wat je onderzoekt voordat je herstructureert, wanneer je beweegt en wanneer je iets met rust laat, en wanneer er in een opstelling genoeg is gebeurd.
Weten wanneer er genoeg is gebeurd, voorkomt dat de vijf technieken een jacht op effect worden. Een opstelling loopt niet door totdat er iets dramatisch gebeurt. Ze loopt door totdat er voldoende verschuiving is voor de cliënt om in een vrijere verhouding te staan tot wat diegene meebracht. Dan stopt ze, geaard en met beschermde tijd om weer terug te komen. De stilste interventie die het doel bereikt, is beter dan de meest indrukwekkende die dat niet doet.
Als je wilt zien hoe deze technieken in een heel stuk werk passen, loopt de pagina over familieopstellingen de methode van begin tot eind door. En als je nieuwsgierig genoeg bent om het vak zelf in handen te krijgen, is dat wat we opleiden.